Nieuws

 
4 april 2021

Paasoverdenking 2021 - ds. Jan Berkvens

‘Ben jij een Christen?’ Die vraag kreeg Ineke van Duyl op haar bord toen ze voor de eerste keer het erf op stapte van een paardenhoudster ergens in de buurt van Leeuwarden om er vrijwillig te gaan werken. Ze vertelt erover in een artikel in Trouw op 24 maart. Ineke sprak toen al lange tijd niet meer, sinds een ziekte haar het praten eerst onmogelijk maakte en haar daarna te bang maakte om te praten. 

Het is de vraag die we donderdagavond aan Petrus hoorden stellen en het de vraag was of het wel zo verstandig was om te kennen te geven dat je bij Jezus hoorde. Tot drie keer toe ontkende Petrus. Ineke laat in het midden of ze antwoordde, ontkende, of de vraag ontweek. Wat antwoord jij als jou die vraag gesteld wordt? Wat antwoord ik? Een antwoord is niet noodzakelijk nu, laten we maar even verder horen wat er bij Ineke gebeurde.

De paardenhoudster waar Ineke mee kennis maakte had het niet zo op christenen: ergens in haar huis hing een bordje. Op dat bordje stond: ‘Het enige dat ik tegen christenen heb, is dat het geen christenen zijn’. Dat ervoer Ineke een jaar of wat later, toen haar man als predikant een baan kreeg ergens in een strenge gemeenschap. De kerk zat twee keer per dag vol, maar de gemeenschap maakte zich vooral druk om de etiquette en de regels. De gemeenschap plaatste haar buiten omdat ze zich niet aan de regels hield, of misschien deed ze dat zelf wel. Het was er in elk geval niet warm, niet veilig, niet openhartig. Het ging er ook niet om een taak in de wereld. Ineke moest denken aan dat tegeltje: ‘het enige dat ik tegen christenen heb is dat het geen christenen zijn’. Na die eerste vraag ‘Ben jij een Christen?’ mocht Ineke wel blijven, daar op die boerderij, en naarmate de tijd vorderde ontstond een band tussen de twee vrouwen. Ongetwijfeld zoals er een band ontstaan is tussen de vrouwen in het Paasverhaal.

‘Ik ben een Christen’ zegt iemand waarmee ik aan een onderwijsopdracht werk, om vervolgens te vertellen dat het grootste deel van de zondag opgaat aan de kerk. Blijkbaar zegt dat genoeg, het feit dat je zegt christen te zijn. Maar wat zegt dat dan? Het impliceert van alles, maar wat dat is, is denk ik helemaal afhankelijk van de persoon en de persoonlijke kijk of de groepsblik op het geloof waar iemand toe zegt te behoren. Eerder diezelfde week plaatste ik een Facebook-berichtje naar aanleiding van het nieuwsbericht dat de Paus niet toestaat dat de liefde tussen mensen van gelijk geslacht ingezegend wordt. Ik denk dat ik dat heb gedaan omdat ik het onchristelijk vind. Het is precies waarom ik het moeilijk vind om op de vraag ‘Ben jij een Christen’ te antwoorden met ‘Ja, ik ben een Christen’. Een andere reden is dat ik voel dat mijn geloofsovertuiging niet bepalend is voor wat ik wel of niet doe, het is eerder een bron waaruit ik leef. Dat is wezenlijk anders. 

Een medezwemmer reageert op mijn Facebook-bericht met ‘Elk geloof sluit anderen uit. Een geloof zonder exclusiviteitsregels bestaat niet’. Tja, nou wordt het helemaal ingewikkeld, want wat zullen we daar eens op zeggen? Dat het bij ons anders is?

Ik denk aan de vrouwen en mannen rond Jezus, op die Paasmorgen. Ze hebben net daarvoor hun leraar, hun dierbare ten grave gedragen en zijn ongetwijfeld kapot. Velen van ons kennen het verlies van een dierbare na een korte of lange lijdensweg, dat geldt hier ook voor de mensen die zijn achtergebleven. Ze zijn op. ‘The morning after’ kenmerkt zich door een vacuüm, een stilte die Chip Taylor zo mooi bezingt. In die stilte weten we even niet meer welke kant het op moet. Dat moment, in de vroege ochtend na een ingrijpende gebeurtenis en voordat je besluit in beweging te komen omdat het moet, omdat het nu eenmaal niet anders kan, is een van die paar momenten in het leven dat het even echt stil is, om je heen en in jezelf. Wij besluiten ongetwijfeld om dan koffie te gaan zetten, de vrouwen rond Jezus besluiten om naar het graf te gaan. Tijdens de wandeling ontstaat een diepere band tussen de twee vrouwen.

Waar zouden zij het onderweg over gehad hebben? Of zouden ze stil zijn geweest? Als ze stil zijn geweest, waar zouden dan hun gedachten over zijn gegaan? Ik denk over de vraag hoe hem te volgen nu hij er niet meer is. Eigenlijk dus over de vraag ‘Ben ik een Christen?’. Achter die vraag komen twee vervolgvragen vandaan: ‘Als dat zo is, wat betekent dat dan?’ En ten slotte: ‘Ga ik dat ook zeggen?’

Met Pasen hebben we behoorlijk stevig lijden en verdriet achter de rug. Waar we voor staan is hoe we van daaruit verder gaan, van donker naar licht. Van wat we niet willen naar wat we wel willen. Van wat we doen en niet doen naar wat we na willen laten en wat we juist vorm willen geven. De vrouwen op weg naar het graf zijn ook op weg naar een herijking: hoe gaan we verder in zijn geest? Als bemoediging komt hij hen tegemoet: Ga door, ik ben er. Herijk en treed de wereld tegemoet. Zouden zij zichzelf christen noemen? 

Maar… is dat waar het om gaat, hoe je jezelf noemt? Ik weet het niet. Nou ja, eigenlijk weet ik het wel. Ik stel mij voor dat het tegeltje met de wijsheid erop dat aan de muur hing bij de paardenhoudster ligt spiegelend is, dat ik mijzelf erin gereflecteerd zie als ik het lees. ‘Het enige dat ik tegen christenen heb, is dat het geen christenen zijn’. Het tegeltje houdt mij een spiegel voor: ben ik werkelijk aan het doen wat ik wil doen, wat ik vind dat ik moet doen? Tegelijkertijd denk ik ook: een beetje makkelijk wel om de vraag of je oprecht leeft bij alleen christenen neer te leggen, want of je nu gelooft of niet, we doen allemaal dingen waar je heel trots of helemaal niet trots op bent. Als je het tegeltje ophangt omdat je vindt dat christenen niet oprecht leven, doe jij dat dan zelf wel? In die zin is de idee achter het tegeltje misschien wel op iedereen van toepassing.

Wat zegt u als iemand u vraagt ‘Ben jij een Christen?’ Het liefst ga ik het antwoord uit de weg: ‘Wilt u misschien nog een kopje thee?’ Vervolgens hoor ik mijzelf stamelend een antwoord zoeken. En weet u: ik hoop dat ik blijf stamelen, dat ik die vraag moeilijk blijf vinden om te beantwoorden. 

Het stamelen betekent dat ik het goede probeer te doen maar dat ik vind dat ik nog een weg te gaan heb. 
Het stamelen betekent dat ik woedend word over wat er de naam van de Eeuwige gebeurt. Woedend over de pijn die kerkelijke gemeenschappen veroorzaken, over hoe mensen uitgesloten worden.
Het stamelen betekent dat ik niet klakkeloos ergens achter aan loop, maar zelf denk en vorm probeer te geven aan het leven. 
Het stamelen betekent dat we met elkaar zoekend zijn en dat dát voor mij de essentie is van wat wij hier met elkaar doen. 
Het stamelen betekent dat Pasen zoveel groter is dan ik vandaag begrijp.

Amen.


Terug
Meer informatie Facebook   ANBI-register Doopsgezinde-Remonstrantse Gemeente Hoorn
inloggen disclaimer
contact routebeschrijving
nieuwsbrief colofon
gemeenteblad privacy
2021 Doopsgezinde-Remonstrantse Gemeente Hoorn