Foreestenhuis Hoorn

De Doopsgezinde-Remonstrantse Gemeente Hoorn is een moderne en vrije christelijke geloofsgemeenschap. Iedereen is welkom voor beleving van geloof en gesprek met anderen. Het Foreestenhuis wil een thuis zijn voor mensen die op hun eigen manier op zoek zijn naar inspiratie en zingeving. Wij zetten ons in voor rechtvaardigheid, vrede en duurzaamheid in onze samenleving.

Foreestenhuis Hoorn

De Doopsgezinde-Remonstrantse Gemeente Hoorn is een moderne en vrije christelijke geloofsgemeenschap. Iedereen is welkom voor beleving van geloof en gesprek met anderen. Het Foreestenhuis wil een thuis zijn voor mensen die op hun eigen manier op zoek zijn naar inspiratie en zingeving. Wij zetten ons in voor rechtvaardigheid, vrede en duurzaamheid in onze samenleving.

Preken

Naam Informatie
2 december 2018 Wakker worden voor een nieuwe tijd Bij Jesaja 2, 1-5 en Mattheüs 24, 40-42 Inleiding In een heel kort gedicht schrijft Willem Hussem: een ongerepte wereld maken droomde ik mijn handen schoten te kort nu ik ontwaak staat de zon boven het besneeuwde land Het is herkenbaar: hopen op iets, er moeite voor doen dat het komt, maar het is je te machtig, het lukt niet - - en dan, onverwacht, wordt het je zomaar gegeven: ongerepte wereld, zon boven het besneeuwde land. Vanochtend, eerste zondag van de advent, gaat het over de toekomst, die betere waarop wij hopen. Ook Jezus hoopte daarop. In de advent leven wij toe naar kerst, het feest van zijn geboorte – maar steeds staan wij dan ook dáárbij stil: bij die toekomst die nog komen moet, en die ook hij verwachtte. Dat deed hij samen met profeten en apocalyptici. Op de eerste advent gaat het vaak, en ook vanmorgen, over die laatsten: de apocalyptici. Maar de profeten zijn er ook, in de eerste lezing, uit Jesaja 2, en kort ook in de overweging. In de tweede lezing dan de apocalyptiek, enkele verzen uit Mattheüs 24. Het zijn verzen uit een toespraak van Jezus over de komst van de mensenzoon, een komst waarmee die nieuwe tijd aanbreekt. Over die verzen, en de apocalyptiek, dus uitgebreider in de overweging. Apocalyptiek. Dat klinkt niet plezierig – en inderdaad, de taal en de beelden zijn vaak donker gekleurd, er gaat dreiging van uit. Maar het is de taal, het zijn de beelden van ménsen. Vooral: van de gevóelens van mensen. En kijk je er zo naar, wat we vanmorgen doen, dan wordt het wat gewoner, en klinkt het ook minder dreigend. Waarmee alle aandacht kan gaan, niet naar dat dreigende, maar naar wat profeten én apocalyptici zich afvragen: die betere toekomst, hoe gaat die er komen? Overweging Die hoop, oeroud al, op een huis brood vrede voor ieder mens: soms denk je, het lukt gewoon niet, het is te veel gevraagd. En ook in de bijbel zijn er die zo denken. Zij vanwege wat er is in het hart van de mens. Die hoop is daar, de bereidheid ook er iets voor te doen – maar zoveel méér is er óók. Het verlangen bijvoorbeeld om veel te hebben: ‘zorg dat je hebt, dan heb je geen zorg’ – heet het in een oud geloof. Het verlangen, daarnaast ook, om te kunnen sturen, beheersen, de dingen naar je hand te zetten – ten eigen voordeel liefst. Twee al heel oude verlangens zijn het, stérke verlangens, goden zelfs zijn ze genoemd: Mammon, de god van het geld, Moloch, de god van de macht. Daarom bij bíjbelschrijvers die, bijna toch, wanhoop dat het niet lukt: die wereld van recht en vrede, het is te veel gevraagd, andere machten zijn ons te sterk. Een wanhoop bij énkele schrijvers, niet bij de meesten. Maar ze zijn er: schrijvers die hópen wel, maar niet meer op mensen, ze hopen op God. Al is dat woordje ‘God’ wel een verlegenheidswoord: want wie weet het fijne van God? Maar juist dáárom dat woord. Beseffend dat we het fijne niet weten van hém, willen we toch over hem spreken – want spreken willen we, in wezen, over ons eigen bestaan: wie weet de hoogten dáárvan, wie weet de diepten? Geen mens – en dáárom ons spreken van ‘God’: om over datzelfde bestaan toch íets te kunnen zeggen, het te verkennen, juist in de buurt van dat onbekende, erachter te komen, dat ook, dat je er redelijk mee kunt leven toch, zinvol zelfs, en met goede moed. Én met hoop! Want die bijbelschrijvers die hoopten op God: al wisten ze het fijne níet van hem, hun hoop kwam niet nergens vandaan. Ze hadden gemerkt: waar wíj met lege handen staan, in een bestaan dat óns te groot is, kan niettemin iets goeds ons overkomen, onverwacht. En het is waar, dat is de ervaring van elk mensenleven wel: je doet je best iets te bereiken, het blijkt je te machtig – en doe je je best dan niet meer, dan wordt het je zomaar gegeven, alsnog. Maar inderdaad: gegéven. Als van een andere kant. Van God, zeggen die schrijvers. God, een verlegenheidswoord wel, wij weten het fijne niet van hem – maar een woord van hoop evengoed: wat wij aan goeds zoeken, brood, vrede, een beetje geluk, dat kan, óók wel langs nare omwegen soms, ons tegemóet komen ook... In die geest vertellen enkele bijbelschrijvers. In het boek Daniël bijvoorbeeld, in de Openbaring van Johannes, en de evangelisten doen het ook, op sommige plaatsen. We noemen die schrijvers apocalyptici. Ze vertellen van mensen die onmachtig zijn, niet wíllen vaak ook, gevoelig als ze zijn voor goden van geld en macht, en hoe dan over hen openbaar wordt, apocalyps betekent openbaring, hoe dan over hen openbaar wordt het leven zoals het bedoeld is, en waar mensen vanouds op hoopten: dat huis, brood, vrede voor ieder mens – maar hoe dat openbaar wordt als ‘van een andere kant’: van ‘God’. En daarop dan ook, op God, zetten ze al hun kaarten. Op één na; die moesten ook ménsen toch uitspelen nog – ze konden het blijkbaar niet laten, die apocalyptici, ze waren óók nog een beetje ‘profetisch’. Want dat is typisch profetisch: dat God er ís, jawel, maar mensen ook, en die moeten méédoen, en niet maar half, vólop! Tussen twee haakjes: dit, de profetie, geeft in de bijbel de toon aan, het is toch vooral een profetisch boek, ook Jezus was eerder profeet dan apocalypticus. Maar dit terzijde. Wat zeiden zij, die profeten? Ook zij wisten van die oude hoop, dat het anders moest, beter – en zij, in alle eenvoud, en eigenlijk heel nuchter, zij zeiden: hoe de toekomst eruit gaat zien, dat hangt af van je handelen nu. Jesaja bijvoorbeeld zei: door recht te doen nu, zorg je voor vrede in de toekomst. Hij ziet de volken naar de berg Sion stromen, daar wordt hun geleerd hoe het leven geleefd kan, hoe je aan mensen, aan God, recht kunt doen, en dat, dat recht doen, dat leidt dan ten slotte tot vrede. En inderdaad, je ziet het zo voor je. Doe je de mensen geen recht, dan krijg je geheid herrie met ze – zo gaat dat met mensen. En doe je God geen recht – dat is: weet je je grenzen niet – dan stoot je ook daarmee je neus. We merken het nu aan het klimaat: we gingen grenzen over en daar krijgen we last van. Dat is typisch de profetie, en goeddeels dus ook de toon van de bijbel: wat komt in de toekomst hangt af van je handelen nu. De bijbel, profetisch boek, verwacht veel van mensen! Apocalyptici, in diezelfde bijbel, doen dat duidelijk minder – maar, ik zei het al, ze vergaten de mensen toch niet. Ben je alert, dat was dat ene wat zíj vroegen. Ben je wakker, helder, scherp – en niet in slaap gesust dus, afgeleid, vérleid misschien ook? Apocalyptici, als ik ze goed begrijp, vragen naar de binnenkant, ons innerlijk. Jezus, vooral profeet maar meevoelend ook met apocalyptici, hij vertelt een keer over twee mannen op een akker, twee vrouwen die graan aan het malen zijn. Van elk van die twee zal er een de toekomst van God gaan zien, de ander niet, die wordt achtergelaten. Niet letterlijk nemen dit trouwens: het is beeldtaal, typerend voor de apocalyptiek. Maar taal die een vraag stelt wél: hóe bewerk jij die akker, hóe maal je je graan? Op een wakkere manier, inspelend op het leven zoals het ten diepste wil zijn, en zeker ook kómen gaat – ben je zó aan het werk? Of liet je je meenemen, in slaap sussen ook, door de cultuur waarin je leeft? Die cultuur bijvoorbeeld gelooft: die akker is van jou, jíj kocht hem immers. Wel, dan kun je ermee doen wat je wilt, je kunt hem gebruiken naar eigen believen... Zo zal die ene man het misschien zeggen. Maar die ander zal zeggen: ‘Die akker, ik kocht hem wel maar hij wordt nooit van mij. Nog steeds heb ik hem te leen: van ‘God’. Álles hier heb ik te leen, zelfs al betaalde ik ervoor. Te leen, om er goed mee te doen voor het aangezicht van God.’ Dat is wakker zijn, stel ik me voor. Het is beseffen, geloven eigenlijk, dat je geen eigen baas bent hier, maar toebehoort aan iets groters – wat de bijbel betreft: aan die hartstocht voor gerechtigheid, dat huis brood vrede voor ieder mens. Dat je daaraan toebehoort, aan ‘God’ – dat eerder, dan dat hij toebehoort aan jou. Dat je een rol speelt in zíjn geschiedenis, eerder dan dat hij een rol speelt in de jouwe. Dat is wakker zijn. Gevoel voor verhoudingen hebben, dat is het in wezen. Gevoel voor hoe groot je bent, want je kunt véél in die geschiedenis van hem! Maar ook gevoel voor hoe klein je bent: het beste, voor ons, voor deze wereld – je kunt het noemen de Christus, zijn eigen soort kracht naar Gods toekomst toe – dat, het beste, dat kan alleen maar gebóren worden: máken kunnen we het niet, je kunt het alleen maar ontvángen. Hiervoor gevoel hebben, gevoel voor verhoudingen – dat je toebehoort aan iets groters, en wat je daarom wél, en ook níet kunt – dat is wakker zijn, stel ik me voor. En bén je wakker eenmaal, op die manier, ja dan kleurt dat ook alles: je werk op die akker, of graan malend – maar ook of je doorhebt wat kómt, als ‘van een andere kant’, en hoe je dat kunt ontvangen. Zo Jezus in dit korte verhaal van hem over akker en graan. Waarmee hij, mét apocalyptici, en voorbij dus aan wat mensen maken kunnen en organiseren, herinnert aan hun binnenkant. En zich afvraagt dan of daar nog zoiets is als ontzag, weten van grenzen, nederigheid daarom - - zich dat afvragend, stel ik mij voor, in het geloof dat dat, die innerlijke houding, de toekomst net zo góed bepaalt, net zo goed als het nuchtere en doortastende handelen van de profeten. En ja, dat moet waar zijn natuurlijk: onze handen doen mee, die van de profeten, maar onze ziel net zo goed – waar apocalyptici naar kijken... Daarom, al met al: laten we, met de profeten, doen wat er gedaan moet, we kunnen zo véél! Maar, met apocalyptici, laten we dat doen met gevoel voor verhoudingen: dat je moet inhouden soms, kijken alleen, wachten... en dat er momenten zijn, tijden ook wel, waarin het eigenlijke kan kómen alleen, en of wij dan open genoeg zijn om te ontvángen... Zo te leven – met daadkracht en durf, maar nederig ook, en alert op wat gegéven kan worden – zo te leven, dát geve ons God. Amen
Ds. Jan den Hertog